
|
Eng
>
|
| Dinsdag 31 mei 1994,
Utrecht-Salou Maandag 30 mei vertrekt de Royal-Class
fietsbus vanuit Utrecht die slechts deels is
gevuld met fietsers. Opvallend veel strandgasten.
In de bus ontmoet ik drie Utrechtse geologie
studenten, die van plan zijn naar hun
veldwerkgebied te fietsen. De volgende ochtend
komen we in Catalonië aan. De fietsers worden te
Cambrils gedropt bij een vervallen hotel aan de
snelweg, de "badgasten" keurig bij hun
appartement afgeleverd.
Circa acht uur ga ik samen met de drie studenten
op zoek naar een leuke camping in de omgeving. De
op de kaart aangegeven camping te Cap de Salou is
helaas opgeheven, maar langs de stoffige
boulevard, temidden van de vele appartementen,
hotels, cafés en "Broodje van Kootje"
is er aan alternatieven geen gebrek. Op de vrij
dure en zwaar bewaakte camping
blijkt de voertaal gewoon Nederlands. De middag
wordt besteed aan een eerste fietstocht die over
stoffige vierbaans autosnelwegen langs
olieraffinaderijen naar Tarragona voert.
Tarragona bezit echter een fraaie binnenstad met
nog veel sporen van de Romeinse beschaving, zoals
een amfitheater.
|
Woensdag 1 juni, Salou-Valderrobres
(130 km)
Meteen na Cambrils keer ik het strandvertier
letterlijk de rug toe en sla een wit weggetje in
richting binnenland. De route voert door het
Maestrazgo gebergte. In deze zeer onherbergzame
uitgedroogde en bergachtige streek kom ik
onderweg nogal wat varkensfokkerijen tegen. De
streek is dan ook vermaard om haar ham. Het droge
en zeer warme weer (35 C) en het gebrek aan
fourageermogelijkheden onderweg maken deze eerste
etappe vrij lastig. Er zijn in het binnenland
nauwelijks campings te vinden, waardoor ik even
voorbij Valderrobres genoodzaakt ben mijn tent
zomaar langs de weg in een bosje op te slaan.
Puertos de Beseit
Donderdag 2 juni, Valderrobles-Mirambel (95
km)
Ik vervolg de rit, die nu langzaam stijgt tot
1259 m hoogte (Puerto de Torre Miro). Prachtige
ommuurde stadjes als Morella en Mirambel, vaak op
een heuvel gelegen. In het eerste het beste
dorp dat ik tegenkom, ga ik op zoek naar een
bakker. Meestal vind je die pas na te vragen of
op de geur van vers gebakken brood af te gaan,
want vaak is de panaderia niet als zodanig
aangegeven. In de winkel is de keus meestal
beperkt tot pan (stokbrood), soms croissants,
gevuld met chocolade, of koekjes. Een ander 'ritueel'
is het (frequent) bijvullen van de bidons. Gewoon
met aqua potable uit de plaatselijke fuente,
een kraantje, meestal te vinden op het dorpsplein
bij de kerk. Een fietser met bepakking trekt dan
veel bekijks, zeker op het heetst van de dag!
Bij gebrek aan campings of hotelletjes onderweg
vul ik in Mirambel de extra waterzak en sla 1 km.
verderop een zijweggetje in, waar ik in een
arroyo (uitgedroogde rivierbedding) een aardige
kampeerplek vind.
|
CantaviejaVrijdag 3 juni, Mirambel-La
Virgen de la Vega (82 km)
De tocht voert nu over een bergachtig traject,
variërend van een ruige semi-woestijn tot fris
groen beboste dalen. Het is flink klimmen
geblazen, vooral de klim naar Cantavieja, dat als
een adelaarsnest hoog boven de omgeving is
gelegen, is pittig. De route gaat vervolgens door
de Sierra de Gudar over een viertal niet al te
zware passen van om en nabij de 1600-1700m. De
lege camping is gelegen in een uitgestorven
wintersportoord, zonder enige voorzieningen. Het
nabijgelegen Alcala is een veel aardiger dorpje.
|
Zaterdag 4 juni, La Virgen-Mora de Rublielos-Teruel-Albarracin
(99 km) Via Mora de Rublielos daal
ik af over de drukke N-234 naar de stad Teruel.
Na bezichtiging van het fraaie centrum gaat het
verder over een zeer lange, vlakke rechte weg. Al
gauw doemen de bergen van de Sierra de Albarracin
op. Het naar de berberstam Aben Razin genoemde
gelijknamige stadje ligt tegen een zeer ruig
decor, waarover een 'chinese' muur slingert.
Gelukkig is het stadje nog niet aangetast door
het massatoerisme. De (nieuwe) camping ligt op
loopafstand van het centrum in een 'buitenwijk'
met fraai uitzicht op de stad.
 
Guadalaviar valley / Montes
Universales
Zondag 5 juni, Albarracin-Alto
de la Vega (78 km)
Ik volg na Albarracin het riviertje
stroomopwaarts, door een nauwe kloof. De route
gaat door een fris groen dal met populierenbossen
en bloemenweiden, omzoomd door sterk geërodeerde
rotsen.
Het nationale park Montes Universales bestaat
uit afgeronde, rotsen, spaarzaam begroeid met
merkwaardige cirkelvormige plekken struikgewas.
Aan de westzijde van de waterscheiding ontspringt
de Rio Tajo (Taag), die enkele duizenden
kilometers verder bij Lissabon in de Atlantische
Oceaan eindigt. Het gebergte heet hier Serrania
de Cuenca en is meer bebost. Na Tragacete besluit
ik te kamperen op de 'zona acampada' bovenop de
col Alto de la Vega. Na een redelijk korte maar
steile beklimming (passages van >10%!) blijkt
hier echter een troosteloze picknickplaats zonder
water. In een bos nabij een bron met ijskoud
bergwater halverwege de klim vind ik een veel
beter alternatief om wild te kamperen. Door de
hoge ligging en de sterke uitstraling daalt de
temperatuur 's nachts aanzienlijk tot zo'n 8
C.
|
Ciudad EncantadaMaandag 6 juni, Alto
de la Vega-Cuenca (99 km)
Terug (afdalen) naar Tragacete en vervolgens
langs het stuwmeer van La Toba richting Cuenca.
Een zijweggetje stijgt vervolgens naar het op een
plateau gelegen La Ciudad Encantada. Dit sterk
geërodeerde rotsplateau is erg toeristisch en
natuurlijk niet gratis toegankelijk.
Na bezichtiging van de merkwaardige
paddenstoelachtige rotsformaties daal ik in
vervolgens snel af richting Cuenca. De fraaie
oude binnenstad bevindt zich bovenop een
rotsplateau, dat aan twee zijden wordt ingesneden
door riviertjes. Het is inmiddels bijzonder heet
(42 C) geworden en de camping blijkt
bovendien in dezelfde richting als vanwaar ik ben
gekomen te liggen. De stemming wordt nog minder
als blijkt dat deze camping gesloten is. Weer
terug naar Cuenca dus. In het centrum vind ik een
soort herberg (posada), met voor 3000 Pts een
kamer met bad/wc (ruim f40). Achteraf blijkt dit
het duurste hotel van de hele reis!
Dinsdag 7 juni, Cuenca-Villarrobledo (154
km)
Het blijkt weer een hele klus op de juiste
uitvalsweg te komen en uit de drukte van Cuenca
te geraken. De brede, maar niet al te drukke N420
daalt door een bebost landschap zuidwaarts naar
La Mancha. Na de vele bergweggetjes is het weer
eens een leuke afwisseling om met hoge snelheid (oplopend
tot maxima van ruim 60 km/u) comfortabel het
landschap te kunnen doorkruisen. Om de 10 km
staan bovendien tankstations om bij te tanken (Aqua
y Cola) en een sanitaire stop te plegen. Belmonte
valt op door haar witte huisjes en de fraai boven
het dorp gelegen burcht. In de overtuiging naar
El Pedernosa te rijden (camping) sla ik een (niet
op de kaart staand) weggetje in naar las
Pedroneras. Pas in El Provincio (20 km verder)
blijkt nergens een camping te bekennen.
Terugrijden heeft geen zin meer (wind tegen over
een zeer drukke weg). Doorrijden naar het
redelijk grote plaatsje Villarrobledo en daar een
hostal opzoeken, lijkt nog de beste oplossing.
Wild kamperen in dit landbouwgebied is minder
voor de hand liggend. Nadat de plaatselijke fonda
afvalt omdat de fiets niet binnen gestald kon
worden, kies ik uiteindelijk voor een duur
uitziend hotel-restaurant. Qua prijs valt de
schade echter reuze mee. De fiets mag in de
parkeergarage gestalt worden.
Woensdag 8 juni, Villarrobledo-Peńascosa (91
km)
Na een nachtje onweer blijkt er 's ochtends
geen water meer uit de kraan te komen. Ook is men
niet in staat koffie te zetten, want de
stroom is uitgevallen. Zo heeft kamperen toch
weer zijn voordelen boven een hotelletje. De
route gaat verder langs glooiende akkers, af en
toe opgesierd door een boom. Het landschap doet
me denken aan Toscane. Inmiddels aangeland in de
Sierra de Alcaraz besluit ik in Peńascosa mijn
tent op te slaan. Wederom blijkt de plaatselijke
camping leeg en gesloten. Gelukkig houdt de
campingbaas slechts siësta en kan ik hier
uiteindelijk toch wel terecht.
Minder fraai zijn de wegrenovaties die je
overal in Spanje tegenkomt. De nieuwe weg is
rechtgetrokken en van glad asfalt en brede
vluchtstroken voorzien. De helling is voor een
deel "opgeruimd". Toch is het hierdoor
(omhoog) veel zwaarder fietsen. De oude
smalle weg 'meandert' van rechts naar links en is
door de bochten wel iets langer maar veel minder
steil. Bovendien zorgen de bomen ervoor dat je
heerlijk in de schaduw kunt blijven fietsen.
Donderdag
9 juni, Peńascosa-Puente de las Herrerias
(161 km)
Hoewel landschappelijk ongetwijfeld bijzonder
mooi, laat ik het bergachtige traject door de
Sierra de Alcaraz links liggen en kies voor de
snelweg die door het dal loopt. Tot aan la Puerta
de Segura (70 km verder) gaat de weg door een
licht aflopend dal met aan weerszijden bergruggen.
Met wind mee gaat het hard: lange stukken worden
met kruissnelheden van 30-40 km per uur afgelegd!
Na de afslag richting Sierra de Cazorla is het
weer klimmen, door een opvallend groen
berglandschap met naald-bomen en stuwmeren. Fraai
is het uitzicht op het dorpje Hornos, dat
als een adelaarsnest boven-op een rots is gelegen.
Onderweg kom ik voor het eerst sinds Catalonië
weer veel fietsers met bepakking tegen. Bij een
supermarktje onderweg ontmoet ik vier
landgenoten. Zij waren vanuit Malaga vertrokken
en waren blij nu eens, na al dagenlang olijfbomen
te hebben gezien, eindelijk door "echt"
bos te fietsen. Helaas is de nabijgelegen camping
nog niet open (pas na 1 juli) zodat er nog een
forse klim naar de volgende camping te Puente de
las Herrerias, 10 km verderop, te wachten staat.
|
Vrijdag 10 juni, Puente de
las Herrerias- Huelma (104 km) Na
een korte klim over de Puerto de las Palomas (1290
m) openbaart zich een totaal ander landschap: in
de diepte de witte dorpjes Burunchel en Iruela en
tot de horizon een golvende zee van geelwitte
heuvels vol olijfbomen. Dit is dus het échte
Andalusië.
Het verderop gelegen
Cazorla is een gezellig druk stadje met een
overdekte markt. Helaas is in de weinige
librerias (boekhandels) geen Michelinkaart te
krijgen. Voorlopig zal ik nog met de van thuis
meegenomen RV/Euroatlas kaartfragmenten genoegen
moeten nemen. Hoewel de schaal (1:300.000) groter
is, is de nauwkeurigheid stukken minder. De
kwaliteit van de wegen en het reliëf zijn slecht
aangegeven. Zo fiets ik lange tijd over een 'rode'
weg, die in werkelijkheid smal, druk en van
erbarmelijke kwaliteit is. Na de afslag Jodar (N325)
wordt het wegdek aanzienlijk beter. Door de
tegenwind en de hitte blijft het evenwel afzien,
want de weg is pas gerenoveerd (rechtgetrokken en
dus steilere beklimmingen). In de goedkope hostal
van Huelma (2600 Pts half pension) is het goed
toeven na de gedane zware rit.
|
Grotwoningen in Guadix
Zaterdag 11 juni, Huelma-La Calahorra (91
km)
Ik vervolg de weg over de N325 richting Guadix.
Tot Guadahortuna blijkt men nog volop bezig met
de renovatie van het wegdek. Het tracé is reeds
gereed, echter nog niet geasfalteerd. De oude
bochtige smalle weg is inmiddels al wel 'opgeruimd'.
Het traject tot Guadix gaat door een zeer
desolaat semi woestijnlandschap. Vlakbij
Purullena komt de N325 op de 4-baans autoweg
Granada-Guadix, verboden voor fietsers. Een niet
op de kaart staand asfaltweggetje daalt af naar
een fraai bebost dal in het voorgebergte van de
Sierra Nevada. Parallel aan de autoweg loopt de
oude weg, die in een zandgroeve uitkomt.
Uiteindelijk zit er niets anders op dan 8 km over
de (smalle) vluchtstrook te fietsen. Purrullena
en vooral Guadix staan bekend om hun holwoningen.
Witte huisjes, ingebouwd in rotsen van tufsteen.
Uit de rotsen steken talloze TV antennes en
schoorstenen. Aan de voet van de Sierra
Nevada ligt het dorpje Lacalahorra, dat
gedomineerd wordt door een middeleeuwse burcht.
Hier overnacht ik in een pension. 's Avonds volgt
nog een klim naar het kasteel, waarvandaan van
een schitterend uitzicht op de omgeving kan
worden genoten.
  
Rotswoning in Guadix (l),
Lacallahorra (r)
|
Zondag 12 juni,
Lacalahorra-Trevelez (82 km) De
volgende ochtend wacht een lange, maar niet al te
zware beklimming over de Sierra Nevada. Telkens
heb ik fraaie uitzichten op Lacallahorra en
omgeving. Bovenop de Puerto de la Ragua (2000 m)
is het met zo'n 20 C heerlijk koel. Na een
mooie afdaling gaat de etappe vervolgens over
smalle, kronkelige weggetjes door de Alpujarras.
Overal kabbelt het water langs de hellingen door
irrigatiekanaaltjes. De subtropische plantengroei,
de vergezichten op het ruige achterland en het
afwisselende, geaccidenteerde traject maken het
tot één van de fraaiste gebergten van Spanje.
Ook veel Spanjaarden blijken de fiets te hebben
ontdekt sinds de successen van Indurain, getuige
de vele pelotonnen ATB'ers die ik onderweg
tegenkom. In Trevelez, het hoogst gelegen dorp
van Spanje (1700m), komt plotseling de mist
opzetten en koelt het behoorlijk af. Na mijn
tentje op de plaatslijke camping te hebben
opgezet, verken ik het dorp, dat uit drie etages
lijkt te bestaan: laag, midden en hoog-Trevelez.
Zoals gewoonlijk vindt er ook weer een fiësta
plaats, met kermis, muziek en vuurwerk.

Hoogteprofiel Lacallahorra-Trevelez-Granada
|
Moorse wijk in
GranadaMaandag 13 juni, Trevelez-Granada
(90 km)
Tot aan Orjiva vervolg ik de rit over de
schitterende panoramaweg door de Alpujarras.
Vooral het uitzicht op de dorpjes Pampaneira,
Bubion en Capileira is fraai. Vanaf
laatstgenoemde dorp loopt een ongeasfalteerde
gravelweg over de Pico Veleta (hoogste pas van
Europa) naar Granada. De bijzonder zware klim
naar de in nevelen gehulde top bewaar ik echter
voor een volgend (?) bezoek en rijd via Lanjaron
over een drukke autosnelweg naar Granada. De
voorspelde verkeersdrukte in deze grote stad valt
mee. In de voorstad Zubia, zo'n 7,5 km van het
centrum, vind ik een leuke, redelijk be-zette
camping, met veel trekkers, waaronder veel
Duitsers per motor en ook 2 fietsers uit
Zwitserland, die (per ATB) de doorsteek van
Capileira over de Pico Veleta wčl hebben gemaakt.
|
Dinsdag 14 juni,
Granada (17 km, rustdag) Gezien de
tijd en de vele bergen onderweg, heb ik geen zin
in de ruim 40 km lange beklimming naar Europa's
hoogste col. Een reden te meer om nog eens naar
Andalusië af te zakken. Granada zelf is ook
interessant genoeg om de hele dag rond te
slenteren. Op het programma staat een
bezichtiging van de Moorse stadswijk Albahcin en
natuurlijk wordt het Alhambra met de tuinen van
Generalife niet gemeden. Bij de RENFE (de Spaanse
NS) informeer ik naar treinen richting Toledo.
Alleen 's nachts is het mogelijk de fiets mee te
nemen, overstappen en de fiets van tevoren
afgeven op het bagagedepot is noodzakelijk. Omdat
ik nog redelijk op schema zit, besluit ik de
volgende dag het traject naar Toledo (zo'n 475 km)
toch maar per fiets af te leggen.
Granada: uitzicht vanaf
Alhambra
|
| Woensdag 15 juni, Granada-Andujar
(154 km) Bij het ontbijt ontmoet ik
twee landgenoten, die de fietsbus tot Zuid
Frankrijk hebben genomen en in ruim twee weken
naar Granada zijn gefietst, over ongeveer
hetzelfde traject. Over anderhalve week vertrekt
hun fietsbus vanuit Hendaye (Fr.) zodat ze wel
genoodzaakt zijn stukken per bus of trein af te
leggen. Verder valt op dat ze exact dezelfde (Vaude)
tent hebben. Granada verlaat ik vrij vlot (via de
autosnelweg, geen ander alternatief mogelijk) en
ook de eerste 100 km tot aan Jaen gaan
voorspoedig. De volgende 50 km gaan over een pas
geasfalteerd traject door olijfbomen-landschap.
Vanwege het smeltende asfalt en de hitte (35-40 C)
worden de vele hellinkjes, die op zich niks
voorstellen, toch wel zwaar. De (wederom lege)
camping in Andujar ligt nu eens midden in het
centrum.

Profiel Granada-Andújar-Puertollano
Donderdag
16 juni, Andujar-Puertollano (131 km)
Een blik op de kaart leert dat de volgende
etappe door een dunbevolkte streek gaat. Tussen
Andujar en het volgende dorp liggen ruim 80
kilometers zonder fourageer-mogelijkheden! Een
extra litertje water meenemen kan dus geen kwaad.
Gelukkig is het die dag vanwege de bewolking niet
zo heet en af en toe motregent het zelfs.
Het traject naar het bedevaartoord Santuario
Virgen de la Cabeza verloopt, gegangmaakt door
twee wielrenners, vrij vlot. Zodra het gladde
asfalt overgaat in een hobbelweg, keren de
wielrenners om. Na bezichtiging van het
hooggelegen klooster, sla ik nog wat proviand in
voor de lange, onherbergzame kilometers door de
Sierra Morena. Over een totaal verlaten wit
weggetje met geurende maquis ŕ la Corsica
verlaat ik het landsdeel Andalusië en beland
weer in het district Castilla-La Mancha. Het
berglandschap heet nu Sierra Madrona en bestaat
uit groen beboste hellingen met kale rotsen. Een
schitterende pasweg voert over een col van 980m.
Even onder de col daalt een zijweggetje naar het
bergdorpje Solana del Pino. In de
veronderstelling dat dit een makkelijker traject
is, volg ik de zijweg. Na het dorpje gaat de weg
echter weer omhoog en klimt nog steiler dan de
doorgaande weg.
Even over de kam komt de 'ruta fatigosa' weer
uit op de hoofdweg. De route verlaat het gebergte
en voert langs olijfboom-gaarden, die bar weinig
schaduw geven. In de opvallend drukke
industriestad Puertollano zoek ik een hostal op.
|
Vrijdag 17 juni, Puertollano-Consuegra
(121 km) Na de 'snelweg' over Ciudad
Real volg ik een binnenweggetje vlak langs het
nationale park Tablas de Daimiel. Vanaf de weg is
van dit moerasgebied helaas niet te veel zien.
Wel is duidelijk dat het gebied zichtbaar te
lijden heeft van verdroging, want van de op de
kaart aangegeven rivier is alleen een totaal
uitgedroogde bedding te zien. Voorbij Urda
kondigen de witte windmolens van Don Quijote zich
al van ver aan. Consuegra, gedomineerd door een
heuvel met een tiental (gerestaureerde)
windmolens en ruďne, lijkt me een uitstekende
plaats om een hotelletje op te zoeken. De korte,
steile klim naar boven blijkt populair bij de
plaatselijke ATB'ers. Boven prachtige
vergezichten op de omgeving. Met de horeca is het
overigens matig gesteld: alle restaurants in het
centrum zijn gesloten, zelfs in het hotel waar ik
logeer worden geen maaltijden meer verstrekt!
Gelukkig kan in een uitspanning naast het hotel
nog (buiten) wat genuttigd worden
Windmolens van Consuegra
|
| Zaterdag 18 juni, Consuegra-Toledo
(75 km) Korte etappe naar Toledo (60
km). Via Mora, waar een collect call naar huis
wordt gepleegd. Vervolgens langs de ruďne van
Almonacid bereik ik al gauw Toledo. Zo op het
eerste gezicht is de stad niet zo indrukwekkend,
totdat ik de panoramaweg rond de stad insla. Na
een korte beklimming door de woeste kloof van de
Taag ontvouwt zich een verrassend mooi panorama
over de stad. Camping El Greco ligt helemaal aan
de andere zijde van de stad op de uitvalsweg naar
Talavera en is druk bevolkt met Nederlanders (geen
fietsers helaas). De middag wordt gevuld met
sight-seeing van de fraaie, maar erg toeristische
ommuurde binnenstad.
Zondag 19 juni, Toledo-Mombeltran (123 km)
De "502" naar Talavera volgt een
stukje de Taag en klimt vervolgens naar het
plateau. Na het glooiende traject tot La Puebla
volgen vlakke, rechte wegen naar Talavera. Deze
stad is vermaard om haar keramiek. Vooral het
park midden in het centrum is fraai versierd met
blauwe tegeltjes. Ook fraai is de rit door het
steppe-achtige, vlakke achterland, met op de
achtergrond de "muur" van het Gredos-gebergte.
Aan de voet van de col, even voor het dorpje
Mombeltran, tref ik een aardig bezette camping
aan. Telkens valt me weer op dat vooral de
sanitaire voorzieningen van de Spaanse campings
een bijzonder nette, haast luxe, indruk maken,
zeker in vergelijking met de Franse camping
municipal.
|
Puerto del Pico
Maandag 20 juni, Mombeltran-Navarredonda de
Gredos (75 km)
Al meteen na de camping moet een
hoogteverschil van ruim 700m overwonnen worden.
De 12 km lange klim over de Puerto del Pico (1352 m) is
gelukkig niet al te lastig, op 'n enkele steile
passage ter hoogte van het dorpje Cuevas del
Valle na. Het is vooral een mooie col,
voortdurend draaien en keren met telkens
prachtige vergezichten. Na een korte afdaling
blijft de weg op hoogte en volgt een zeer fraai
traject door een alpien bergweidelandschap. Even
voorbij San Martin del Pimpollar kan een blik op
de besneeuwde(!) pieken van de Gredos geworpen
worden. Op de (doodlopende) weg naar deze pieken,
tref ik een prachtig gelegen camping in het bos
aan. Na de tent en bagage op de camping te hebben
gelaten, zet ik koers naar het hooggebergte. Op
zo'n 1750 m houdt het asfalt op en loopt een
rotspaadje verder. Ik laat mijn fiets op de
parkeerplaats achter en trek lopend verder.
Enkele honderden meters hoger is een splitsing:
Puerto de Candeleda 1 uur, Lagunas de Gredos 2
uur gaans. Het weer betrekt en het paadje
richting Puerto, niet meer dan een met
steenmannetjes bewegwijzerd geitepaadje door
bergweiden, blijkt niet meer haalbaar. Wanneer ik
na een half uur klimmen omkeer, vraag ik me
vertwijfeld af hoe Bart Aardema (zie artikel Op
Pad) hier met een bepakte fiets verder is gekomen.
|
Dinsdag 21 juni,
Sierra de Gredos-Avila (81 km) Opnieuw
een korte etappe. Over de Puerto de Menga (1566m)
bereik ik na zo'n 66 km Avila, met 1100 m de
hoogstgelegen provinciehoofdstad van Spanje. De
etappe voert door een groen berglandschap.
De laatste 20 km gaan over een lange,
rechte en vlakke weg langs graanvelden. Ik werd
op deze fraaie stad geattendeerd via de Vuelta
van dit jaar, waarin Avila aankomstplaats was. De
etappe voerde toen vlak langs de indrukwekkende
stadsmuur over een kasseienweg. De middag besteed
ik aan een bezichtiging van de binnenstad, die op
loopafstand van de camping is gelegen. In
vergelijking met Toledo valt de afwezigheid van
de massa's toeristen en souvenirsshops op.
Avila
Woensdag
22 juni, Avila-Segovia (89 km)
Op het programma staat een etappe naar de
volgende fraaie provinciehoofdstad, Segovia. Als
alternatief voor de ongetwijfeld drukke N110 kies
ik voor een wit binnenweggetje naar El Espinar.
Zoals de meeste 'witte wegen' blijkt dit een
prachtige route. Vooral na het gehucht Bernuy-Salinero
volgt een fraai traject door een onherbergzaam
alpen-weidelandschap. Na El Espinar volgt een
pittig klimmetje en een lange afdaling over een
brede twee- baanssnelweg, die ik al snel weer
verlaat. Over smalle glooiende wegen gaat het via
het paleis Riofrio richting Segovia. Onmiskenbaar
is dit de stad van Delgado en ene de la Santa (?),
getuige hun veelvuldig op het wegdek gekalkte
namen en de vele wielrenners die ik onderweg
tegenkom. Na mij op de plaatselijke camping te
hebben geďnstalleerd, daal ik in de namiddag af
richting "centro urbano". De ware
pracht van de stad blijkt pas na de afdaling, met
de indrukwekkende aquaduct en de in de ommuurde
binnenstad gelegen kathedraal en Alcazar.
Donderdag 23 juni, Segovia-Aranda de Duero
(131 km)
Na voor de derde keer een lekke band te hebben
hersteld, blijkt ook de achterbuitenband na zo'n
6000 km duidelijk aan vervanging toe. Uiteraard
is in een stad als Segovia een goed geoutilleerde
fietsenzaak aanwezig.
De route naar Aranda de Duero gaat via Cantalejo
over verkeersarme binnenwegen door een
cuestalandschap. Via de plaatselijke VVV vind ik
op 5 km van het centrum een camping municipal.
Het blijkt echter niet meer dan een leeg
grasveldje naast het zwembad zonder sanitaire
voorzieningen. Voor een (koude) douche kan je
terecht bij het zwembad.
|
 Canyon van de
Yecla
Vrijdag 24 juni, Aranda de Duero- Quintanar
de la Sierra (91 km)
De Peńas de Cervera is een fraai geplooid
gebergte van kalksteen. Vlakbij het beroemde
klooster van Santo Domingo de Silos heeft het
riviertje la Yecla een zeer nauwe kloof door het
gebergte gesleten. Door de enkele meters smalle
kloof loopt slechts een smal voetbruggetje. De
camping municipal in Quintanar is nog niet
geopend. Bovendien vallen er nu geregeld buien en
is de temperatuur aanzienlijk gedaald, zodat
hostal "Domingo" een goede keus lijkt.
Zaterdag 25 juni, Quintanar Najera (121 km)
De klim naar Laguna Negra blijkt achteraf
niet op de kaart aangegeven. De omweg betekent
een zware en enkele kilometers langere beklimming
naar ca 1900 m. Ik bevind me nu in de Sierra de
la Demanda, maar vanwege de mist is er van enig
uitzicht helaas geen sprake. Bij de afslag naar
Neila kan ik zo'n 12 km afsnijden naar
Villavelayo. Volgens een wandelaar is de weg
echter van zeer slechte kwaliteit. Na een (te)
snelle afdaling blijk ik in Huerta de Arriba een
afslag te hebben gemist, wat uiteindelijk nog
eens neerkomt op een "omweg" van meer
dan 20 km. Ondanks de omwegen, de vele
onweersbuien en de lage temperatuur (10-15 C!) is
de route door het woeste dal van de Najerilla
schitterend. Na onderweg regelmatig voor de buien
te hebben geschuild (o.a. onder een overhangende
rots, in een schuilhutje voor herders en in een
café) klaart het weer in Najera op en vind ik
een camping op loopafstand van het centrum. In
het dorp is het fiësta, wat betekent dat alle
winkels 's middags dicht zijn en tot in de kleine
uurtjes een bandje speelt.

Profiel S. de Gredos -
Najera
|
Zondag 26 juni, Najera-Altsasu/Alsasua
(113 km) Aan de overkant van het dal
van de Ebro rijzen de bergen van de Sierra de
Cantabria als een onneembare muur boven de
wijnstreek van de Rioja. Via kleine kerkdorpjes
als Laguardia en Cripan win ik geleidelijk aan
hoogte. Na Lapoblacion klimt de weg ineens over
de kam. Vanaf de 'route des cretes' is het
uitzicht aan beide kanten schitterend. Aan de
noordzijde van de kam verandert het landschap van
karakter: de groene bergen van Baskenland met
kale kalkrotsen doen denken aan de Jura. Na de
Puerto Opacua daal ik af naar de zeer drukke N1,
die tijdelijk kan worden vermeden door een
parallelweggetje te volgen. De hostal annex
wegrestaurant in Alsasua is gelegen aan de drukke
snelweg naar Pamplona.
Dal van de Rioja
|
Maandag
27 juni, Alsasua-Hondaribbia (130 km) De
drukke autoweg richting Pamplona kan na plm. 20
kilometer vanaf Alsasua vermeden worden door in
Uharte Arakil het bergweggetje richting het
klooster San Migel de Aralar in te
slaan. Op de kaart valt nauwelijks te zien dat
deze weg in ruim 10 km naar het zo'n 1235 m. hoog
gelegen klooster stijgt. Met de brandende zon en
steile passages van meer dan 15% wordt het flink
afzien. Boven mijn hoofd cirkelen talloze gieren,
die geduldig wachten totdat de zwoegende fietser
bezwijkt onder de inspanningen. Vanaf het
klooster prachtige vergezichten op het dal van de
Arakil. Daarna gaat het hard naar beneden tot
Lekunberri. Het nauwe beboste dal van de Urumea
is druk bezet met toeristen die verkoeling zoeken
in de rivier. Rond Oyarzun volgen nog wat pittige
klimmetjes plus -voor het eerst na 3000 km- een
fietspad. Vanaf de laatste kilometers tot aan
Irun domineert de Monte Jaizkibel de gehele
omgeving. Aan de voet van deze berg ligt de
gezellig drukke badplaats Hondaribbia met een
aardige camping.
Dinsdag 28 juni, Hondaribbia (73 km)
De laatste dag van de reis beklim ik de Monte Jaizkibel (448 m). Deze
berg is bekend vanwege de klassieker San
Sebastian-San Sebastian. Vooral het uitzicht
vanaf de col op de golf van Biskaje is
schitterend. Na de afdaling bezoek ik het
schilderachtige vissersdorpje Pasaia Donibane,
dat slechts uit een (deels overdekt) straatje
bestaat. Minder fraai is de drukke 4-baans
autobaan naar San Sebastian, dat fraai gelegen is
aan de schelpvormige baai. De terugweg voert
wederom over de Monte Jaizkibel. Bovenop de pas
sla ik een weggetje in naar de top. Over de kam
loopt een smal geitepaadje met schitterende
vergezichten zowel op het binnenland als op de
kust. Vanaf zee drijft een plukje wolken richting
de kust. Binnen een half uur is de Jaizkibel in
nevelen gehuld en daal ik in dichte mist af naar
de camping. Nauwelijks een uur later is het weer
volledig omgeslagen: het is zwaar bewolkt en er
waait een stevige wind. 's Avonds pak ik mijn
spullen in om in Irun, 5 km verderop en
uiteindelijk na dertig dagen en 3.018 Spaanse
kilometers in de fietsbus te stappen.

Uitzicht vanaf de Jaizkibel
Woensdag 29 juni, Irun-Woerden
Vanwege oponthoud in Irun (fiësta) vertrekt
de fietsbus even na middernacht uit Spanje. In de
volle bus veel 55+-ers, die naar Santiago de
Compostella zijn gefietst. Keurig volgens schema
komt de bus aan in Nederland, waar het minstens
zo warm is als in Spanje.
|
|
|
|